collectie

1911-DM

Met deze tripiek brengt Sucharda hulde aan zijn vaderland. Centraal staat het gezicht van een vrouw in vooraanzicht, haar kin rust op een grote rechthoekige pancarte, ze draagt een hoofddeksel waarvan twee panden, voorzien van een ronde versiering, tot beneden hangen. Voor de pancarte hangen links en rechts bovenaan een tak met laurierbladeren.

Op het linkerdeel zit een naakte jongeling geknield, onderaan staat een tekst die als volgt luidt : "Moge ons land voor altijd zoete dromen koesteren, Mogen alle stormen voorbijgaan"

Op het rechterluik staat een naakte ouderling met baard afgebeeld met als tekst : "Dan komt het zoete moment Dat dromen, eenmaal bewaarheid, niet meer nodig zullen zijn"