collectie
olieverfschilderij: 61,2 cm x 50,1 cm
1908-F

Rond 1820 schilderde Théodore Géricault (1791-1824) het Portret van de kleptomaan. Het werk maakt deel uit van een reeks van tien portretten van waanzinnigen, waarvan er slechts vijf bewaard zijn gebleven. De kunstenaar was in die tijd bevriend met de geneesheer Etienne-Jean Georget, die behoorde tot een groep verlichte artsen, de zogenaamde aliënisten. Zij beschouwden waanzin niet langer als een goddelijke straf, maar als een te behandelen ziekte of afwijking. De aliënisten geloofden dat de gelaatstrekken van de waanzinnige zijn afwijking verraadden. Zij introduceerden de term monomanie voor een psychische stoornis  die zich uit in een welbepaalde obsessie of een enkel waandenkbeeld.

In hun onderzoek hebben zij alle mogelijke bestaande middelen om expressies weer te geven benut, zoals gietvormen, bustes, tekeningen en gravures. Géricault was ongetwijfeld door hen beïnvloed. Zijn portretten verraadden zijn wetenschappelijke belangstelling voor krankzinnigen. Ongewoon voor die tijd zijn de waardigheid waarmee hij de krankzinnige heeft uitbeeld en de romantische inleving in de zieke geest van de patiënt. De soepele en suggestieve schilderwijze die Géricault in Portret van een kleptomaan hanteerde, relativeert het begrip ‘voltooid schilderij’ en verleent het kunstwerk als studie een nieuwe eigenwaarde.