DOCUMENTATIECENTRUM

Een selectie van brieven, foto's en tijdschriften om het documentatiecentrum te visualiseren

René Guiette, kaft van Variétés, 15.05.1928
Documentatiecentrum Museum voor Schone Kunsten Gent. Precieuze reserve.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Auguste Rodin

 

De loopbaan van Auguste Rodin (1840-1917) kreeg belangrijke stimulansen vanuit België. Op 31-jarige leeftijd kwam de Franse beeldhouwer naar Brussel om mee te werken aan het beeldenproject voor de Beurs. Op het Gentse Salon van 1880 stelde hij twee beelden tentoon, Johannes de Doper en L'Age d'airain (Het bronzen tijdperk). De jury van de tentoonstelling, waarvan zijn vriend Paul de Vigne deel uitmaakte, onderscheidde hem met een gouden medaille. Met de beeldengroep Les Bourgeois de Calais exposeerde Rodin een ander magnum opus op de Salon van Brussel van 1903. Het Gentse stadsbestuur was erg onder de indruk van het beeldhouwwerk en wilde het aankopen voor het museum. Op dat ogenblik werden echter alle beschikbare fondsen aangewend voor de bouw en afwerking van het nieuwe museumgebouw. Toch probeerden de notabelen de kunstenaar te bewegen tot een financiële toegeving. Rodin, die zich het Gentse succes van 1880 levendig herinnerde, deed een redelijk voorstel, dat echter niet haalbaar was voor de stad. Zelfs voor de aankoop van het model in gips was er geen geld. De interesse van het Gentse stadsbestuur voor het werk van Rodin bleef echter bestaan en op de plaatselijke salon van 1909 verwierf het museum de kop van Pierre de Wissant, één van de burgers van Calais. De sculptuur werd uiteindelijk in brons en gips aangekocht.

Foto van de bronzen kop van Pierre de Wissant van Auguste Rodin, ca. 1910. Documentatiecentrum Museum voor Schone Kunsten Gent. Dossier Auguste Rodin.

 

 

 

 

 

 

 


 

Henri Evenepoel


Henri Evenepoel (1872-1899) was in volle artistieke ontwikkeling toen hij in 1899 zijn werken tentoonstelde op de Salon van Gent. De Brusselse jurist en kunstcriticus Octave Maus was zo onder de indruk van De Spanjaard in Parijs, één van Evenepoels inzendingen, dat hij hoopte dat het schilderij in het Brusselse 'Musée moderne' zou belanden. Maar het Gentse Museum voor Schone Kunsten legde echter de eerste contacten met de kunstenaar.
In een brief aan zijn vader gedateerd 10 oktober 1899, deed Evenepoel het hele verhaal zelf uit de doeken. Op vraag van het museum had hij de prijzen van zijn werken doorgestuurd. Per telegram kreeg hij vervolgens de vraag of hij het Portret van Fernand Lotz wou verkopen. Enkele uren later volgde een tweede telegram met de boodschap "Erreur, offre mille francs pour Espagnol à Paris". Na een korte aarzeling - zijn vraagprijs voor dit werk was 1500 fr. - aanvaardde hij het tegenbod. Met de aankoop zag Evenepoel een droom in vervulling gaan dat een van zijn schilderijen tot een publieke collectie zou behoren. Octave Maus vergat het kunstwerk evenwel niet en drong er bij de kunstenaar op aan om het schilderij te tonen op de tentoonstelling van La Libre Esthétique in 1900 en de Parijse Exposition Universelle in hetzelfde jaar. Het museum ging akkoord met de bruikleen en liet het schilderij voor 2000 fr. verzekeren, het dubbele van de aankoopprijs. Helaas maakte Evenepoel deze triomf zelf niet meer mee. Hij stierf op 27 december 1899 te Parijs aan de gevolgen van tyfus.

Foto van Henri Evenepoel, ca. 1895.
Documentatiecentrum Museum voor Schone Kunsten Gent. Dossier Henri Evenepoel.

 

 

 


 

Frantisek Kupka


De satirische prent was op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw een geliefkoosd medium om de politieke en sociale ambities van de burgerij te hekelen. Een bekend voorbeeld is het anarchistische tijdschrift L' Assiette au Beurre, dat in Parijs verscheen van 1901 tot in de herfst van 1912. In het idee kunst en satire te verenigen deed het weekblad beroep op kunstenaars zoals Théophile Steinlen, Félix Vallotton, Henri Gabriel Ibels, Kees van Dongen, Hermann-Paul en Frantisek Kupka (1871-1957).
Hoewel Kupka ook bijdragen leverde voor andere satirische bladen zoals Le Canard sauvage, Le Rire of Cocorico, waren het voornamelijk zijn illustraties voor L' Assiette au Beurre die hem als illustrator erkenning gaven. In veertien nummers verschenen er prenten van Kupka. Op vraag van de redactie verzorgde de artiest verschillende thematische cycli waarvan er drie uitgegeven werden: L' Argent, Religions en La Paix. De onderwerpen verwijzen naar drie maatschappelijke ontwikkelingen waartegen het anarchisme de strijd opnam: het kapitalisme, het klerikalisme en het militarisme. De iconografisch doordachte en complexe prenten getuigen van een grote technische vaardigheid en een bijzonder scherpzinnige blik.
Wanneer in 1905 L' Assiette au Beurre werd verkocht, was ook Kupka's contract beëindigd. Hoewel hij dus niet meer in opdracht zou werken, verschenen er tot in 1907 verscheidene van zijn prenten in het blad.

Frantisek Kupka, La Paix. Kaft voor L' Assiette au Beurre, Parijs, 20.08.1904. Documentatiecentrum Museum voor Schone Kunsten Gent. Precieuze reserve.

 

 

 

 

 

 

 


 

Paul van Ostaijen


Ondanks het isolement van de Eerste Wereldoorlog, schiep een groep jonge kunstenaars in Antwerpen omstreeks 1917 een revolutionair klimaat en zocht contact met de Europese avant-garde. De centrale figuur van deze groep intellectuelen, schrijvers en beeldende kunstenaars was Paul van Ostaijen (1896-1928) rond wie o.m. Jos Leonard, Floris en Oscar Jespers, Paul Joostens en Prosper de Troyer zich groepeerden en de "bond zonder gezegeld papier" sloten. Zij wilden zich losmaken van de burgerlijke maatschappij en van de artistieke traditie. Hun aandacht ging naar beeldende vernieuwing die zich bewoog tussen expressionisme, dadaïsme, kubisme en geometrische abstractie.
Van Ostaijen schreef zijn dichtbundel Bezette stad tijdens de zomer van 1920. Gevlucht voor de repressie in 1918 verbleef de dichter-criticus toen in Berlijn. Hij kwam er in contact met het internationale kunstgebeuren dat een grote invloed zou hebben op zijn poëzie en zijn algehele denken. In Bezette stad deed Van Ostaijen de inval van de Duitse troepen in Antwerpen herleven. Vanuit een uitgesproken humanitaire instelling hekelde de dichter het nihilisme, het burgerlijk gezag en de morele hypocrisie.
De omslag in Pruisisch blauw en de houtsneden zijn gerealiseerd door de beeldhouwer en graficus Oscar Jespers. Zijn ritmische, brutaal aandoende typografie en kubistische illustraties overstijgen elke vorm van subjectieve beleving ten voordele van een universeel aanklagen van oorlog en lijden.

Paul Van Ostaijen, Bezette stad, Antwerpen, Sienjaal, 1921. Documentatiecentrum Museum voor Schone Kunsten Gent. Precieuze reserve.

 

 

 

 

 

 


 

De fondsen De Moor, Heyse en Roelandts


Het documentatiecentrum is deels gebaseerd op drie archieven: de fondsen De Moor, Roelandts en Heyse. Deze drie personen speelden een belangrijke rol in het Gentse en Belgische artistieke leven tijdens de 19de eeuw. Richard de Moor was het hoofd van de dienst Burgerlijke Stand van de stad Gent, een functie die hem toegang verschafte tot de biografische gegevens van allerhande kunstenaars. Hij was ook commissielid van het museum en secretaris van de directie van de Gentse Academie voor Schone Kunsten. Oscar Roelandts was de voorzitter van de commissie van de academie en bevriend met De Moor. Roelandts was niet alleen een kunstminnaar maar tevens een zeer actief lid van de socialistische beweging. Als kunstcriticus publiceerde hij verschillende monografiën o.m. over Paul de Vigne en Albert Baertsoen. Het derde fonds, en in volume het grootste, is dat van Albert Heyse, antiquair en antiquaar te Gent. Naast een uitgebreide bibliotheek verzamelde hij een uitgebreide documentatie, die hij gebruikte voor zijn werk als expert. In 1922 richtte hij het tijdschrift Gand Artistique op, waarvan hij directeur was tot in 1931. In een bijdrage tot het tijdschrift van oktober 1930, benadrukte hij het belang van een gedegen documentatie als onontbeerlijk werkinstrument voor elke expertise.

Jules Boulez, kaft van Gand Artistique, oktober 1930
Documentatiecentrum Museum voor Schone Kunsten Gent. Precieuze reserve.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Tony Simon-Wolfskehl

In 1991 legateerde mevrouw Tony Simon-Wolfskehl,
weduwe Lasnitzki (1893-1991) samen met haar persoonlijk archief, kunstwerken van Kirchner, Heckel, Rohlfs en Modersohn-Becker. Het archieffonds onthult de boeiende persoonlijkheid van Tony Lasnitzki, die via de verzameling van haar vader Kirchner, Heckel en andere Duitse expressionisten kende.
Als studente aan het Bauhaus leerde zij de protagonisten van het Duitse modernisme kennen. In haar correspondentie zijn vooral de contacten met de schrijver en kunstcriticus Carl Einstein van belang, die in 1923 gedurende korte tijd een relatie had met haar. Einstein geniet vooral bekendheid met zijn werk Negerplastik uit 1915, waarin hij een zeer heldere synthese bracht van de relatie tussen de primitieve Afrikaanse kunst en het kubisme. In hun correspondentie gaf Einstein zijn ideeën op een ongezouten manier weer, waardoor men een beter inzicht krijgt in de persoonlijkheid van deze significante kunstcriticus. Zelf was Tony Lasnitzki ook actief als schrijfster. Van haar vader erfde ze de werken van de door haar zo bewonderde Duitse expressionisten; de oude meesters uit zijn verzameling gingen naar haar zus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kon ze, als joodse, onderduiken in Gent; haar man werd echter door de Duitse bezetters opgepakt en stierf in een concentratiekamp. Op het einde van haar leven vertrouwde ze een belangrijk deel van haar kunstcollectie en archief toe aan de stad die haar tijdens de oorlog onderdak bood.

Jodenster van Mevr. Tony Simon-Wolfskehl, weduwe Lasnitzki. Legaat.
Documentatiecentrum Museum voor Schone Kunsten Gent. Dossier Lasnitzki.

 

 

 

 


 

Frans Masereel

Op 3 januari 1972 overleed Frans Masereel in Avignon op 82-jarige leeftijd. Enkele dagen later, op 8 januari werd een huldeviering in het Museum voor Schone Kunsten te Gent georganiseerd. Hoewel Masereel in Blankenberge geboren was, beschouwde hij Gent als zijn artistieke geboortestad en was het zijn wens om in Gent begraven te worden. De plechtigheid in het museum werd bijgewoond door tal van prominenten. Naast de Minister van Cultuur gaf ook Masereels persoonlijke vriend en uit
gever Pierre Vorms een rede. Masereel werd op Campo Santo begraven.
In Gent startte Masereel zijn artistieke loopbaan en sloot hij vriendschap met Jules de Bruycker, met wie hij de plaatselijke academie bezocht. Op aanraden van zijn Gentse docenten vervolmaakte hij zich in het buitenland, en keerde er naderhand slechts voor korte bezoeken terug. Zijn internationale geest en het uitgesproken pacifisme in zijn werk maakten contacten mogelijk met de meest vooraanstaande intellectuelen en kunstenaars van zijn tijd, zoals Romain Rolland in Genève, George Grosz in Berlijn en de schrijver Stefan Zweig in Wenen.

Hommage aan Frans Masereel in de tapijtenzaal van het museum, 8 januari 1972. Documentatiecentrum Museum voor Schone Kunsten Gent. Dossier Frans Masereel.

 


 

Paul-Gustave van Hecke en Sélection


Uit de archieven van E.L.T. Mesens kon het documentatiecentrum een reeks foto's aankopen van het interieur van Paul-Gustave van Heckes woonhuis aan de Kongolaan in Brussel. De foto's illustreren een decennium kunst en cultuur in de hoofdstad. Naast galeriehouders als Georges Giroux en Walter Schwarzenberg was Van Hecke (1887-1967) tijdens de "dolle" jaren '20 een van de vaandeldragers van de Belgische en internationale avant-garde. Op de foto's komt niet enkel Van Heckes sensibiliteit voor het expressionisme en surrealisme naar voren, maar ook de zin voor het eigentijdse interieurdesign. De wandkasten, de stoelen en tapijten zijn gerealiseerd door Marcel-Louis Baugniet (1896-1995), net als het meubilair voor de rookkamer dat in 1927 bij Le Centaure werd tentoongesteld.
In de zomer van 1920 richtte Paul-Gustave van Hecke samen met André de Ridder de galerij Sélection, Atelier d'un Art Contemporain als een actief centrum voor de nieuwe kunst op. Ter ondersteuning van deze missie verscheen gedurende zeven jaar het tijdschrift Sélection, Chronique de la Vie artistique. Het maandblad was in eerste instantie een belangrijk forum voor de promotie van de tweede groep van Sint-Martens-Latem met Constant Permeke, Gustave de Smet, Frits van den Berghe, en van het expressionisme in het algemeen. In de beginjaren was Sélection gekant tegen de abstracte vormen en verdedigde in hoofdzaak een kunst waarin de zichtbare, tastbare werkelijkheid nog herkenbaar was. Vanaf 1923 werd het interesseveld verruimd naar het Franse kubisme, de Dada-beweging en het surrealisme. Vanaf 1927 tot 1933 gaf Sélection enkel nog een reeks monografische cahiers uit.


Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog verhuisde Van Hecke naar Brussel. Als directeur van een kleine Franse schouwburg kwam hij er in contact met mondaine kringen en ontmoette er zijn toekomstige echtgenote, Honorine Deschryver (1887-1977). Samen openden ze tijdens de oorlogsjaren aan de Louizalaan het modehuis Norine dat vermaard werd om zijn persoonlijke en vernieuwende creaties. In 1926 trok de modezaak de jonge René Magritte aan als publiciteitstekenaar. Deze prenten verschenen later in het tijdschrift Variétés dat Van Hecke in 1928 lanceerde. Voor de Duitse en Russische avant-garde en voor de internationale surrealistische beweging was Variétés een belangrijk forum. De ongewone uitingen van kunst en cultuur werden benadrukt en alle mogelijke actuele onderwerpen kwamen aan bod. Fotografie, film en ook mode kregen opvallend veel aandacht.

 

Interieur van Paul-Gustave van Hecke in de Kongolaan te Brussel, ca. 1928-29. Schilderijen van Heinrich Campendonck, Frits Van den Berghe en Gustave De Smet. Beelden van Ossip Zadkine. Meubilair van Marcel-Louis Baugniet.
Documentatiecentrum Museum voor Schone Kunsten Gent. Dossier Paul-Gustave van Hecke